Nederlandse Interkerkelijke Gemeente Denia
Lied van de maand


Willem van Buuren (1944) is een geboren Rotterdammer, studeerde aan de Universiteiten van Amsterdam, Groningen (Liturgiek) en Utrecht (Pastorale Psychologie) en diende de Gemeenten van Vierpolders en Schoonoord.

Leermeesters die hem beïnvloedden waren vooral Tom Naastepad, Bert ter Schegget, Frans Breukelman, Karel Deurloo, Rochus Zuurmond, Caspar Honders, Piet Zuidgeest en Herman Andriessen.

Vanaf 1984 tot zijn emeritaat was hij geestelijk verzorger van het Diaconessenhuis / ziekenhuis Rijnstate te Arnhem. Uit die tijd stamt ook zijn toenemende aandacht voor de katholiciteit van de kerk, al blijft de wereldgerichtheid voorop staan.

Tot de geschriften die hij graag ter hand neemt behoren die van Willem Barnard (incl. de vele gedichten onder pseudoniem Guilaume van der Graft), terwijl momenteel (gelet ook op de huidige discussies in kerk en wereld) zijn belangstelling uitgaat naar werken van Heschel, Drewermann en Van Hoogstraten.
Adventssymboliek
10/12/17

Afgelopen zondag waren we in de Evangelisch Lutherse Kerk van Ede bij een indruk-wekkende adventsviering. Onder leiding van de cantor-organist Dick Troost (die al 50 jr. als musicus aldaar de lofzang gaande houdt), werden oude en nieuwe liederen gezongen en bezinnende muziek uitgevoerd. Niet alleen mijn oren werden beroerd, maar ook mijn ogen, toen ik de grote Davidsster zag met daarin de vier adventskaarsen, boven de cantorij en het ensemble. Eén kaars brandde: de eerste advent, op weg naar vier. En de Davidsster zag ik als teken van de naam, die hemel en aarde verenigt tesaam.

Dat de voorbereidingstijd tot het geboortefeest de mensen al zoveel eeuwen wil aanzetten om ruimte in de geest te maken, wordt in de ganse christenheid tot op de huidige dag vierend benadrukt. We maken ruimte om het goddelijk komen een plaats in ons leven te geven, zó dat het verwachten en uitzien méér is dan een knus ritueel in de feestmaand. Het gaat dan ook niet louter om een vermeend historisch gebeuren van ooit en daar, alsof we een verjaardagsfeestje vieren, maar beseffen dat de uitspraak “Ook al was Christus duizend maal in Bethlehem geboren en niet in ons hart, dan nog is alles verloren” (Martin Luther/Angelus Silesius?). Dus: sola fide!

Hoewel de vier adventszondagen ieder hun eigen thematiek hebben, is de beweging duidelijk. Het gaat om de komst van de Vredevorst in ons leven. En in de voorberei-dingstijd willen we dáárvoor onze harten en gedachten openen en onze schreden naar richten. We oefenen in deze tijd het uitzien en verwachten, opdat de Messias onder ons zijn intrek neemt en onze harten en handen door zijn Geest bezield worden. Dan zullen we ons niet op onszelf beroepen, noch denken dat we een streepje voor hebben boven anderen. Zoals het ook voor Israël geldt, dat er niet voor zichzelf is, maar voor een wereld in nood. (Zie b.v. in Lied nr. 350 vs. 7 “Ja, alle volken zijn in tel ….”).


Het vredesrijk (waarheen we hoopvol op weg mogen zijn) is voor iedereen bedoeld (ongeacht de achtergronden) en in dat vredesoord mogen en willen we ieder met vrede groeten. En om dát te oefenen willen we onze vertegenwoordigende ambassades en consulaten graag in die stad vestigen. We leren immers nu al dat we het Godsrijk niet moeten verwarren met onze verenigde staten, en onze náties niet hetzelfde zijn als de bijbelse nóties. Juist dát willen we inbrengen als de naam Jeruzalem valt.


Advent vieren is oefenen in uitzien, is werkelijk een toekomst verwachten, waarin oost en west met elkaar verbonden zijn. In dat spoor zie je jezelf en de wereld ver-anderen. Het is een gebeuren in naam van de vredesvorst, dat leidt tot de beloofde ongedeelde vredesstad. Een heerlijker en verwachtingsvoller betekenis is er niet.



Zegenen en Wijden
10/09/17
Zegenen en wijden   

Het is al weer enige tijd geleden dat er een kerkelijke discussie gaande was over het be-vestigen en in-zegenen van het huwelijk. Vanwege de diversiteit van meningen werd niet tot een generale regeling besloten, maar de mogelijke toepassing aan de kerkenraden overgelaten, met name waar het homofile relaties betreft. De storm is inmiddels wat tot bedaren gekomen, hoewel sommigen nu ook gaan nadenken (in het voetspoor van de RK-kerk) over het in-zegenen en in-wijden van bebouwingen tot aan dat van wegen en voertuigen. En gedachtig aan de grote Franciscus (van Assisi) uit de 12e eeuw worden ook de honden en katten, kanaries en marmotten niet vergeten.

Een formele, voor alle PKN-gemeenten gelijke, verplichtende regeling bleek niet mogelijk maar ook inhoudelijk is de tekst van de kerkorde verwarrend, want nu blijken homo’s gezegend en hetero’s in-gezegend te worden. En dat is zeker verwonderlijk. Want waarover hebben we het en wie bekommert zich om de mensen die het betreft. En dan bedoel ik niet in de eerste plaats hoe zegenaars en wijders hun werk moeten verrichten, maar hoe de gezegenden en gewijden de zegen en wijding ontvangen. Zouden ze zich bij zo’n weinig (recht?-)zinnige discussie echt wel serieus genomen, gezegend en gewijd weten? En tot wat?

Gezalfden zijn gezegenden. Dat is niet hetzelfde, maar ligt wel in elkaars verlengde.
Een Gezalfde is een met de Geest van God bezielde, wat door heilige (=andere dan gewone) olie of zalf wordt be-teken-t, zichtbaar gemaakt, om wat onzichtbaar is aan te duiden. Hij is onder-gedompeld ín en door-drenkt met de Geest, die als Adem van God over doodswateren zweeft om tot leven (op) te wekken wat dood is en tot een nieuwe schepping wat in letterlijkheid is versteend. Een Gezalfde (naar wiens naam christenen verwijzen) is een geroepene om – al zegenend – anderen tot  zegen te zijn.

Maar wat betekent zegen dan? Is het dat Gods ja over ons uitgesproken wordt? Of betekent het dat vanaf nu al mijn doen en laten door God gesanctioneerd wordt? En wat betekent wijden? Is dat het werk van onze handen van een godsdienstig aureool voorzien, met gewijd water besprenkelen of met een goddelijk keurmerk bestempelen? Werkt het alleen als de kerkelijke goedkeuring is verleend, een soort religieuze APK, of als de deugdelijkheid door kerkelijke functionarissen is beoordeeld en aangetoond?

Waarom zouden we de betekenis van woorden als zegenen en wijden niet aflezen uit het functioneren ervan in de Schrift, voordat we daar allerlei aangegroeide bijbetekenissen als bewijsplaats voor aanvoeren. Het woordje in is een toevoegsel wat meer afleidt dan toeleidt tot waar het eigenlijk om zou moeten gaan. En dat is het werkwoord zegenen en wijden. Het in-zegenen (met of zonder wijwaterkwast) doet denken aan in-regenen en door-drenken of in een eerste nieuwe toestand brengen. En in-wijden doet denken aan het in-rijden van een voertuig of een plechtige in-leiding of in-huldiging, opdat men kan voortgaan.

Als de muren en poorten van de Godsstad als gezegend worden gezien (bv. Ps.122 vs.3 ber.), betekent het dat hun functie van bescherming en toegang daar ook daadwerkelijk voor dienen. Niet dat we ervan uit moeten gaan dat er magische handelingen of spreuken aan te pas zijn gekomen, maar dat dit het vertrouwelijk gevoelen van de gelovige weer-geeft. Als de oudvaders hun kinderen zegenen is dat om hen het beste mee te geven wat zij te bieden hebben: dat van Godswege het leven zal gedijen en toekomst zal openen.

Hebben zij behoefte gevoeld om voorwerpen alzo te zegenen? Wat is daarvan in de Schrift terug te vinden? Steeds gaat het erom dat mensen gezegend worden om elkaar tot zegen te zijn, ja alle geslachten van de aardbodem (Gen. 28:14 en Hand. 3:25). Daartoe mogen we de tijden, de dagen, weken, maanden en jaren, evenals de hemel-lichamen, de regen en de wind, gezegend weten in de Naam van God (= het wezen van de ENE). En dat alles om de voortgang mogelijk te maken en een toekomst van oneindige kwaliteit te verwachten. Dát is wat dienaren zegenend hebben toe te zeggen.



Koerend Gezelschap
06/08/17


Koerend gezelschap .

Duif in kooitje. Ja dat heb ik echt meegemaakt. En dat beest maakte me toch een herrie, dat wil je niet weten. Als 8 of 10-jarige wist ik niet wat me overkwam. Het was bij Pietje Kroon in de Van Galenstraat, waar een reeks in het zwart gehulde mensen een soort samenzwering hadden wat ze "gezelschap" noemden en wat in "knielen op een bed violen" uitvoerig ter sprake komt. Vooral mijn vader was daarbij prominent aanwezig en ik moest mee, speelde met mijn autootje achter een crapaud uit de tijd van Simon Gieke (de ketter van Scherpenisse in ca. 1600 waarvan we het boek met rode oortjes kapot lazen) en was dus verder aan het zicht onttrokken.

Wel hoorde ik nog dat er na het koffiedrinken, het zingen van een Psalm en het aanvangsgebed, een beklemmende stilte viel. Totdat mijn vader ineens de stilte doorbrak met de luide opmerking: het stinkt hier...
Prompt keek ik onder mijn schoenen of daar misschien iets zat wat er niet hoorde, en oorzaak zou zijn van deze opmerking. Maar nee, dat was het niet. Er was iemand die al zuchtend en snikkend voor de dag kwam met de openbaring van grote zonden die betrokkene bij zichzelf ontdekt had. Later zou ik weten dat Luther ervan gezegd zou hebben dat het poppenzonden waren, maar nu werd er hier door de een na de ander heel serieus op ingegaan, alsof ter plekke de moord op Abel was begaan.

En toen begon die duif te koeren. Je wilt het niet weten hoe dat beest te keer kon gaan, met al dat gesnotter en gehuil van de andere aanwezigen, want ook dat bleek heel aanstekelijk te zijn. Toen stond Pietje Kroon op van haar zetel, liep driftig naar de keuken en smeet een grote geborduurde theedoek met de Psalmtekst “Zwijg stil voor den HEERE”  over de huisvesting van het edele dier, dat meteen z'n snavel hield. Maar het geluid werd niet met de snavel gemaakt, doch de krop had ik zien opzwellen en zien uitzetten waarbij dat vreemde rochelend koerende geluid de kamer ingeslingerd werd.

De duif zweeg nu in alle talen. Maar dat kan onmogelijk de bedoeling zijn, want duiven zijn vredesboodschappers. Dat geluid moet je natuurlijk niet imiteren met een woordeloze klankenbrij en zeker niet daarbij menen de taal van de Heilige te spreken. Dan is het voor niemand verstaanbaar en verwaait het betekenisloos in de wind. Maar de taal van de met de duif gesymboliseerde Geest kan toch niet anders dan de bezegeling en bezieling zijn van tot leven geroepen teksten die voor mensen het richtinggevende Godswoord willen zijn.

Hoezo geen duif meer in een beknottend kooitje? De duif wordt nog steeds binnen en buiten de kerk van zijn menslievende, grenzen overstijgende tongentaal ontdaan. Of halen we die verstikkend misplaatste theedoek weg en geven wij deze vredesvogel ruim baan?  En wie verstaat zijn gekoer, als ons ten hemel stijgend wapengekletter en de verstikkende stank van de natuur belastende zonden, onszelf en onze medeschepselen, tot aan het zoveelste geslacht, deze vogel teveel wordt?



Vloeken
08/06/17

Daags voor Pinksteren 2017

Als oud-P.R.-man heb ik nog altijd een bijzonderde belangstelling voor reclame-uitingen die het wederzijds begrip van een organisatie en haar publieksgroep wil bevorderen. Zo word ik langs provinciale wegen op de veluwe en op treinstations regelmatig herinnerd aan het vloeken dat op brede schaal lijkt plaats te vinden. De bond die begrip lijkt te vragen voor een verzet daartegen, hangt de borden echter nooit bij de ingang van een kerk.

Doorgaans wordt daar vrijmoedig over God en zijn Naam gesproken en zal daar dus ook het gevaar van misbruik zijn. Want vloeken is toch het ijdel gebruik van de naam en dat lijkt me wat anders dan het los gebruik van allerlei krachttermen. De kennis van de Naam lijkt me in de natuur bij de meeste papagaaien niet zo aanwezig te zijn, evenmin in de meeste cafe’s. Verondersteld mag worden dat die kennis meer in de kerken wordt opgedaan en aangeleerd.

De Godsnaam is toch verbonden met verhalen die zijn daden beschrijven (zoals bij de brandende struik op de Mozesberg). Van het beleven van die verhalen leeft de kerk. Het misbruiken van de Naam is dus slechts het twijfelachtige voorrecht van insiders. Maar als aan hen zou worden verteld dat het stopwoordje van velen gelijk staat aan de Naam van de ENE, wordt menige kerkganger op het verkeerde been gezet en het gebod ontkracht.

Als de Naam van de ENE in onze ziel staat geschreven, kan worden beseft dat we niet zomaar wat napraten, maar geleerd hebben dat de Naam van God met liefde, genade en rechtvaardigheid verbonden is. Dan zouden we misschien wat minder vrijmoedig over God spreken en meer vragen naar zijn wil. Dan spannen we niet langer God voor ons ideële ego-karretje (wat dus vloeken is) ten gerieve van eigen belangen en zien we de ander niet langer als concurrent, maar groeit solidariteit en zorg voor de medemens, voor onze vluchtende mede-broeder en zuster of de zuchtende schepping.

Wie leert dat aan? Wie praat dat na? Of wie leert ons dat allemaal af? Is het aan de vooravond van Pinksteren dan toch beter om op de duif te letten?



Zonde
23/05/17

Ze zei het met een glimlach: Ik leef in zonde… Hoezo vroeg ik. Dat lijkt me toch niet iets om vrolijk van te zijn, of begrijp ik het verkeerd ? Nou ja, je begrijpt toch wel… Nee, ik begrijp het niet. Vertel maar… Maar er kwam niets, alleen een blos op de wangen… Bedoel je soms wat sommigen hokken noemen ? Ze knikte. Maar je kunt het samenwonen van mensen, die moe van het alleen-zijn en een mens bij zich wensen die zowel tegenover als zij aan zij met hen verkeert, waarmee lief en leed te delen valt en innigheid, tot aan de seksualiteit toe, dat kun je toch moeilijk zonde noemen ? Zonde is toch ten diepste als mens je bestemming missen ?
Ze kwam meteen los. Het leek wel alsof, wat ze al jaren had binnengehouden, ineens naar buiten brak. Ja, dan wordt op je neergekeken, niet buiten hoor, maar binnen, in de kerk..! Ik viel zowat van mijn stoel. Dat er buiten - in een gewelddadige wereld die de naam samenleving niet verdient - op mensen wordt neergekeken van wie geldt: zie eens hoe lief zij elkaar hebben, ja, dat komt voor. Dan wordt deze kracht als zwakte gezien. Maar binnen, in de kerk…? Zouden de mensen van binnen in de kerk dan nog nooit hebben gehoord dat de liefde de meeste is, zelfs nog meer dan geloof en hoop? En dat de Tien Woorden door de Meester zelf n.b. zijn samengevat met: heb God lief boven alles en de naaste als jezelf. Daaraan hangt alles…!

Nee, zei ze, men is bang dat dát een vrijbrief zou geven om maar te doen wat je wilt… Maar dan regeert angst de liefde en menen we ten diepste dat Jezus bij ons in de leer kan. We doen alsof we geen verlangen kennen en dan is ook begeerte ons vreemd…! Ja, zei ze, maar dat kun je niet controleren. En daarom hebben we het daar nooit over. Als er vroeger voorin de kerk schuldbelijdenis werd afgelegd, betrof het altijd een stel en ging het altijd over het zevende gebod. Want, al mocht je dan niet met elkaar naar bed (wat meestal niet te controleren viel), alleen als er wat van kwam, ja, dan moest je schuld belijden, voorin de kerk. En dan ging het “van dik hout zaagt men planken”... Ik moest aan de houthakker denken omdat het me leek dat er heel wat spaanders bij gevallen moeten zijn, getuige de boeken van Maarten t´Hart,  Maarten Biesheuvel, e.d.. Zou je dat dan nu ook willen ? Nee, zeg, in het front van de kerk zeker… Ze keek me onderzoekend aan en dacht hardop: je bent wel een aparte, zeg…

Ik zei haar: er is een kerkelijk spraakgebruik dat het heeft over het huwelijk consumeren. Ja, dat wist ze. En ik besefte wat een onwaardige term dat hier is: consumeren ! De hele maatschappij wordt daarmee vergeven, als ware het een pijp kaneel, ieder zuigt eraan en krijgt zijn deel..? En in de kerk wordt dat nu ook al voor het samen-leven gebruikt. Zo spreek je toch niet over overschaduwen, over goddelijk versmelten, het samenspel waarin mensen elkaar bekennen om tot één vlees te zijn en hopelijk om daarbij en daarna ook nog tot zichzelf te komen. Nee, wij protesterende protestanten gebruiken die term niet, wij verlangen dat het huwelijk op het stadhuis gesloten wordt. Maar dat doet de Romana ook, zij het dat daar weer niet iedereen dat mag. En dát lijkt weer op de broeders van de Reformata, die wel weten dat de kinderen in het vrije veld toch samenhokken, maar dát mag zeker weer niet iedereen. Je zou ze, die consumerende ophokkers. Jezus veegt ze voor het zingen allemaal het tempelplein af.

Hoe anders is het in de Schrift. Daarin is zelfs een heel hooggestemd boek opgenomen dat de zinnelijke liefde bezingt tussen man en vrouw. En hoe. Niet voor een blos op de wangen ! En profeten zowel als apostelen weten er blijkbaar ook van mee te praten. Ze hopen er altijd weer het verbond in te zien van de waarachtige gemeenschap tussen God en het Godsvolk: een heilig helend leven. En het gekke is dat niemand in die geschriften praat over naar de burgerlijke stand gaan. Zelfs niet over kerkelijke be-vestiging of in-zegening. Dat zijn ook uitvindingen van een zichzelf kronende keizer, vele eeuwen later, die in een contract met rechten en plichten voorzag, én een kerk die in dat kielzog ook een duit in het zakje wenste te doen. Een wervende kerk bevestigt echter niets en zegent ook niets in, maar geeft het beste wat zij ontving: Gods “ja”. Zonder voorwaarden te stellen, niets eisend, maar als gave, als zegen! We hebben het over een kerk die liever gul dan gierig is, liever blij met de blijden dan blind met de blinden. Waar blijven ze toch, die de gemeenschap dáármee belijden…? Nou, dat moet je dan maar aan de kerkenraad vertellen, sprak ze. Dat zal ik doen, zei ik, als jij dan maar “in zonde” blijft, want zonder zou pas echt zonde van je zijn!



Wereldwijd
10/04/17


Wereldwijd en grensoverschrijdend in de Semana Santa

Sommigen hoor ik zeggen dat de oecumenische beweging op sterven na dood is. Er is – na de opleving met paus Johannes XXIII - inderdaad veel teruggedraaid aan wat met hoopgevende tekenen zich aandiende. Maar in de beleving van velen zal het toch die kant uitmoeten: een verbroedering van de rooms-katholieke kerk met de protestantse kerken. Gewoon om de eenvoudige reden dat een kerk, die zich naar Christus noemt, per definitie wereldwijd en grensoverschrijdend is. Het gaat daarbij om de óikumene = de gehele bewoonde wereld. Dat is dus méér dan de kerk, laat staan de vele kerken die zich de waarheid toe-eigenen, terwijl zij met de sekten een deel-waarheid dreigen te verabsoluteren en daar dus het één en al van maken.

Het gaat niet om de kerk, maar om de wereld, zoals het ook niet om de Messias gaat, maar om het Godsrijk. Dat inzicht zou ons van veel zelfin-genomenheid en arrogantie kunnen verlossen. Het zou meer de vraag naar Gods wil stellen en minder naar die van onze eigen godsdienstige of andere belangen. Op de vraag: wat wilt Gij Heer dat ik doen zal, komt geen simpel antwoord. De vraag houdt wel een kenmerkende erkenning in die ontvankelijk is en bereidwilligheid toont. Vragen is sowieso een kenmerk van geloven. Dááraan is een gelovige te herkennen, aan het niet te stoppen vragen en doorvragen. Dus niet aan het wéten. De weters stellen zich gerust en te-vreden met allerlei mogelijke antwoorden, de vragers niet. Zij vragen door.
En zij laten zich niet sussen en ook geen knollen voor citroenen verkopen.

Het gaat om méér dan de kerk, het gaat om de wereld, de óikumene. Die blijkt deze God lief te hebben en daar heeft Hij alles voor over. Alles? Ja, tot en met zijn eigen geliefde Zoon, de uit Egypte geroepene (Mat.2:15). Met minder moeten de in zijn Naam (=zijn wezen) gelovenden en naar de Zoon verwijzenden, zich ook niet tevreden stellen. Dat kúnnen ze ook niet. Het zal hen gaan om waar het God om gaat, en dat is niet ons eigen gevormde en geliefde kerkgenootschap, ook niet een wereldkerk, maar de gehele bewoonde wereld. Dat gaat dus de wereldkerk voorbij en ook de wereldgodsdiensten. Hopelijk zetten zij zich allen ten dienste daarvan in (dat doen de meeste godsdiensten ook, in tegenstelling tot vele van hun belijders), maar het gaat mij nog om iets diepers.

Een vraag die zich opwerpt is: hoe kan een zich kerk (kiriakè=uitgeroepenen)
noemende gemeenschap die een geschiedenis van geweld, terreur en machts-misbruik achter zich heeft, een rol spelen in de door zovelen verlangde en door de Zoon bepleitte wereldvrede? En wie is die Zoon? Is dat de naar de Vader verwijzende Messias? Is dat het bevrijde of lijdende Godsvolk? Of beiden? En hoe kan de kerk een factor zijn in het gesprek met de wereldgodsdiensten die blijkens de eigen uitspraken en geschriften de zorg en verantwoordelijkheid voor de gehele schepping als opdracht zien? Het lijkt me een vraag die terzake is en ook de vele van kerk en geloof vervreemden wel terdege ter harte gaat.
                Zie: “Ökumene in Zeiten des Terrors”, door Klaus Mertes/Antje Vollmer. 2016 HerderVerlag

Misschien is een verwijzing naar de avondmaalstheologie (zeker met het oog op onze onzekere tijd met zijn terreurdreigingen en geweldadigheden) zinnig en verhelderend. Hoe is het gebroken lichaam van de Heer en zijn vergoten bloed te zien zonder dat van de hem toebehorenden? Dat volk van pelgrims, (slacht-)offers en martelaren. Zijn wij dat? En is “mijn lichaam” misschien ook dat van ons?
Semana Santa is de heilige (=andere) week voor Pasen, die door de Palm-zondag wordt ingeluid. In Spanje wordt dat gewoonlijk met vele processies gevierd. De palm- en olijftakken die daarbij soms worden gezien herinneren aan de intocht tot de vredesstad van Jezus op het lastdier met een ezelsjong. Zijn opgaan naar Jeruzalem heeft iets vrolijks, maar de donkere wolken tekenen zich al af. En de man op de ezel zwijgt.
Alfred Bronswijk bracht dat als volgt onder worden:

Uw zwijgen nodigt ons om stil te zijn.
Om open oor te krijgen voor wat heden
onder de mensenkind’ren wordt geleden
aan onrecht en aan onverdiende pijn.

In de gewoonlijk op witte donderdag te vieren dankzeggende dienst komt dat heel nadrukkelijk aan de orde bij het avondmaal of eucharistie. Maar bij elke tafelviering is het lijden aan de orde, zonder een begrafenismaal te zijn. Want Pasen doet ons daar anders en dieper naar zien. Het is de opmaat naar de vrijdag die niet voor niets de “Goede” wordt genoemd, ook al is de liturgische kleur nog donkerder dan paars.

Op Goede Vrijdag wordt de meest ingetogen dienst van het jaar gehouden. Dan klinkt het passieverhaal, waarin we horen hoe door omstanders bij Jezus’ berechtiging wordt geroepen: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen”. Is dat de oordelende consequentie van het kiezen voor de vrijheid van een moordenaar en de dood van een onschuldige? Of is het de profetische weergave van de evangelist die weet hoe het levensbloed van deze Gezegende over ieder kome om tot waarachtig leven te voeren?

En is dat niet het oude beeld van de met eigen bloed jongeren voedende pelikaan, zoals dat in vele historische kerken als kunstwerk valt te bewon-deren, niet zelden als lezenaar waarvandaan de Schriften opengaan!
Ja, zouden wij zijn DNA niet behoeven, om wereldwijd en grensoverschrij-dend hoopvolle kinderen van het duister verdrijvende paaslicht te zijn?



Als de dood voor de liefde?
19/03/17

Als de dood voor de liefde… wijkt? Gebeurt dat? Is dát waar we naar uitzien?
Zijn dood en liefde niet elkaars tegenpolen, hoewel er velen zijn die beiden vrezen?
Bij huwelijksluitingen en uitvaarten ben ik de uitdrukking “liefde is sterker dan de dood” regelmatig tegengekomen. Het lijkt me echter dat daarmee de tekst uit Hooglied 8 van zijn poëtische en spirituele zeggingskracht wordt ontdaan. Evenals bij het vertalen luistert het nauw als we bijbelteksten citeren. Niet zelden is de wens de vader van de gedachte en komt er iets anders uit dan wat er staat. Bijbeltaal is nooit gewone straattaal geweest en moet het ook maar niet worden.

In de Schrift vinden we beide woorden dood én liefde in één regel bij elkaar als zusters (zie bv. ook het Zonnelied van Franciscus: Lb nr. 400/NLB 742). Zij zijn onafscheidelijk en hebben dezelfde onverbrekelijke kracht gemeen. Maar in onze cultuur worden doorgaans thema’s als de dood vermeden en is men haastig bezig met het redden van het vege lijf. Een combinatie van dood en liefde lijkt ons al helemaal ongepast. Maar het zou wellicht toch iets kunnen vertellen van het geheim van beiden. Wat weten we van datgene dat zozeer de kwaliteit van ons leven betreft en de kwantiteit overtreft? Hoe spreken van adem dat ons in- en uitblazen overstijgt en bloed dat ons hart meer verwarmt dan doet kloppen? Wat is het dat onze identiteit bepaalt?
Als in het Oude Boek van “eeuwigheid” wordt gesproken denken velen aan de oneindige voortzetting van het bestaande. Maar dit woord wil juist zeggen dat het niet om kwantiteit gaat, en tevens onze begrippen van kwaliteit te boven gaat. Het gaat om nieuw leven, leven van een andere orde en slaat op kwaliteit waarvan de kracht even sterk is als de dood: de liefde dus. Waarom zouden we kwaliteit met kwantiteit verwisselen? Waar het om gaat is dat we leven op een andere wijze dan voorheen, met meer kwaliteit dan kwantiteit, meer intens dan vluchtig, meer verdiepend dan verkwistend, meer verhogend dan vernederend, meer ruimte scheppend dan beperkend, meer overvloeiend dan beangst. Een leven van liefde dat anderen niet uitsluit maar insluit. Dát is “paradijselijk” eeuwigheidsleven.

Kunnen we elkaar liefhebben zoals God de mens liefheeft? Já, volgens de Schrift, overeenkomstig en in navolging, in respons op Zijn liefde. “Zoals ik u heb liefgehad, zult ge ook elkaar liefhebben” (Joh. 13:34). En: “Dit is mijn gebod: dat ge elkaar liefhebt zoals ik ú heb lief gehad” (Joh. 15:12). Deze liefde komt niet tot z’n rust en bestemming in de geliefde, maar de liefde zal uitgaan van de geliefde naar de ander tot aan de einden der aarde. “Blijf niets aan iemand schuldig dan elkaar lief te hebben. Want wie de ander liefheeft, heeft de leefregel vervuld”(Rom.13:8).“Liefhebben zul je je naaste als jezelf”(Lev.19:18).

De wederliefde tot God is niet het uiteindelijke doel, maar dat die liefde zich verbindt met zijn liefde tot de ander. God wil geen onderdanige slaven maar bezielde partners. Toegewijde navolgers van wat ons is bekend gemaakt. Tot dat dankbaar belijden en daadwerkelijk verkondigen wordt ieder geroepen. “Wie God liefheeft, heeft ook zijn broeder of zuster lief” (I Joh. 4:21). Gods geliefden zijn de liefhebbenden.
God liefhebben boven alles, staat gelijk aan de barmhartige Samaritaan liefhebben (Luk. 10) en kan toch geen andere consequentie hebben dan liefde hebben voor berooiden en geslagenen?
Door voor hen de naaste te zijn.
Dat is het logisch gevolg en wordt onze redelijke ere-dienst (Rom 12:2) genoemd, overeenstemmend, zonder goedkoop alternatief.
Deze redelijke godsdienst wordt niet slechts aan de liturg opgedragen door een preekwerkstuk verkondiging te noemen.
Niet iedereen wordt tot preken geroepen (alstublieft niet), maar juist wél tot verkondigen.
De gemeente verkondigt metterdaad de dood des Heren, totdat Hij komt.
Dan gaat het niet alleen om een vernieuwing van denken die leert wat de wil van God is, maar zal zich dat ook praktisch vergelijken met de niet te stuiten kracht van een liefde, die onweerlegbaar de (doods-)angst uitbant en de laatste vijand vijand-af maakt.



500 jaar reformatie.
15/01/17


500 JAAR REFORMATIE             
(column: Willem van Buuren)

Op 6 maart 1540 houdt Luther (als hij in de stadskerk dr. Johannes Bugenhagen tijdens diens verblijf in Denemarken vervangt) een preek die begint bij Johannes 4 vers 1. Daarbij komen de menselijke en goddelijke natuur van Christus ter sprake. Al spoedig maakt Luther een ‘uitstapje’ naar het goddelijk geschenk van de 10 leefregels in de Thora. 
Citaat uit de Adventsbrief 2016 van Hugo C. van Woerden sr.


En het hele volk [hoorde en] zag de donder en de bliksem, en het geluid van de bazuin en de rokende berg. Toen zij dit echter zagen, vluchtten zij en stonden van verre, en zeiden tegen Mozes: Spreek u met ons, wij zullen gehoorzamen, en laat God niet met ons spreken, anders zouden wij sterven’
(Exodus 20:18-19, weergave DB 1545).

(…) “Wij kunnen het niet uithouden als God in zijn majesteit, door ontelbaar veel engelen (1) met ons spreekt – wij kunnen immers deze stem niet verdragen [of: onder-gaan, uithouden, verduren]. God zegt evenwel: ‘Nu zal Ik mijn majesteit op het aller-diepste verbergen, en zal mijn Zoon mens laten worden. Hij zal geboren worden uit een maagd, en Ik laat Hem de mensen helpen en overal vergeving van zonden verkondigen.’

‘Hij zal zo vriendelijk en zachtmoedig zijn als maar mogelijk is – alleen mag u niet vergeten dat deze mens precies dezelfde God is die in de woestijn, aan de berg Sinaï, met de kinderen van Israël heeft gesproken. Daarom moet u geloven dat Hij het is die met u spreekt. Hij heeft echter zijn majesteit in zijn mensheid verborgen, en zijn komst is nu niet met bliksem en donder of met engelen die u doen beven en sidderen. Hij is immers uit een arme maagd geboren en Hij wil u niet bang maken – Hij wil met u spreken over de vergeving van uw zonden!’

Wat moeten we nu beginnen? Als God zou komen met zijn engelen, [op de manier als in de woestijn aan de berg Sinaï], dan zou niemand zijn stem kunnen verdragen. Nu zegt Hij echter: ‘Ik zal komen in een eenvoudige en nederige gestalte, in een menselijk persoon – geloof Mij nu toch!’ Maar nu willen we nog minder naar Hem luisteren en verachten Hem.

We blijven denken dat Hij zeker in zijn majesteit moet komen – en toch kunnen we Hem in die gestalte niet verdragen! Als Hij in zijn majesteit komt, kunnen we niet naar Hem luisteren – en als Hij in een eenvoudige en nederige gestalte komt, willen we niet naar Hem luisteren.”


Auslegung des dritten und vierten Kapitels Johannis in predigten 1538/1540, vgl. WA 47, 209, 34 – 210, 26 (verkort)

(1) Vgl. Handelingen 7:53; Galaten 3:19



Bij het schrijven van deze column kwamen bij mij herinneringen boven aan de op 2 februari 2016 door Joris Luyendijk gehouden lezing in Amersfoort, waarvan de tekst verscheen bij Trouw en de Bergkerk.
En Luthers uitleg deed me denken aan het verhaal dat ik in Guardamar schreef over Hemel-vaart (zie eerdere column) als poging van antwoord op de vraag: hoe vertel ik het mijn kinderen. De vraag hoe we het ouderen vertellen lijkt me nog vele malen lastiger te beantwoorden. Want wij denken het in de meeste gevallen al te weten en wensen daarvan slechts bevestiging te horen, terwijl wij het meest fundamentele bijbelse ABC (bv. van Miskotte en niet te verwarren met een Alpha-cursus) niet kennen en niet willen kennen. Dan gaat het om het geschieden van een scheppend Woord, dat hoofd én hart én handen omvat. Luther ziet verbanden die hem voor mij zo profetisch maken.  Zie ook: Eugen Drewermann: “Luther wollte mehr”, Uitg: Herder 2016.
In het spoor van Luther zijn door de tijd heen niet alleen kerkelijke veranderingen gevolgd, maar ook maatschappelijke.

We kunnen daarbij denken aan de tijd van de Verlichting, de beoefening van de wetenschap met de democratische en economische vooruitgang in de westerse wereld.

Wat het bancaire betreft is het goed te bedenken dat waar oorspronkelijk geld als ruilmiddel bedoeld was, het nu een zelfstandige macht is geworden die zelfs de politiek in onze democratieën overvleugelt en als nietsontziende anonieme macht de wereld dicteert en regeert, waardoor opnieuw (meer dan in de tijden van VOC en kolonisatie) velen tot slavernij en bedelstaf vervallen (nog los van de belangen in de florerende wapenindustrieën).

Dorothee Sölle vroeg zich al af wie de prijs betaalt van het door velen verhoopte stijgen van de beurskoers, want het kan toch niet zo zijn dat iedereen daar beter van wordt? De winnaars verrijken zich ten koste van de verliezers en daar zal de door zeer vele (evangelicale) christenen gesteunde nieuwe Amerikaanse presidentskandidaat, echt niet van wakker liggen.

Zeker, reformeren is een doorgaand proces. Maar waarom keren dan zovele conservatieve krachten uit de reformatorische achterban zich tegen degenen die zich de huidige wereld-wijde problematiek aantrekken en antwoorden trachten te vinden op de nijpende vragen waar we thans mee worstelen (behalve de vragen rondom kapitaal denken we aan de vluchtelingen-problematiek, het opkomend nationalisme, vragen die de zingeving en de ethiek betreffen, het maakbare en voltooide leven, het fundamentalisme in Christendom en Islam, de opwarming van de aarde en andere geopolitieke zaken). Kan Luthers vraag “hoe krijg ik een genadig God” misschien wat verwijd worden naar de vraag hoe gaan mensen vandaag met Gods genade óm, en ten dienste van wié? Als Gods Zoon? Dát verlangen noemt Paulus “het reikhalzend uitzien naar de onthulling van Gods zonen en dochters”. (Rom.8:19).

Als individu voel je je onmachtig. Zou het optreden van een nieuwe Luther de drijfveren boven tafel kunnen krijgen en bewegingen kunnen ontketenen die het getij keren, want wij allen zijn onvrij, geknecht en met open ogen aan allerlei onderhorig geworden. Maar hoe zou ik alleen?

Dat een financiële instelling zijn grenzen te buiten gaat (een Staats-loterij die bizarre prijzen uitkeert of een Zorgfonds dat sport subsidieert en sponsort of een Bank die een kerk steunt is natuurlijk al twijfelachtig, want over wiens geld gaat dit en in wiens belang is het?), maar wie ziet het gevaar van de dictaten en het monopoly van aandeelhouders in, die slechts op één ding uit zijn, ondanks de opgeworpen schijn.

Zo zie ik bv. de auto waarop Luthers afbeelding en de vermelding van een vrijgevige Bank samengaan. Er worden prijzen aan theologen uitgereikt en de Reformatie-herdenking gesteund. Wordt Luthers God (mede) gefinancierd door Mammon?

Grote veranderingen beginnen klein. Dat valt uit de geschiedenis te leren. In de bijbel is dat niet anders. Een klein herdersvolk wordt geroepen tot zegen te zijn voor allen en is daarmee Gods grote Zoon. Het kerstverhaal vertelt van een onbeduidend jonge vrouw die aan het begin staat van een nieuwe beweging die zij niet anders kan zien als komend van boven. Zo wordt ook verteld van de door angst bezeten jonge Luther, die al zoekend, een genadige God vindt. Het is de hoogst individuele omkering van denken en doen (mesjoeba/metanoia) die tot (zelf-) inzicht en (Gods-)kennis voert en bevrijdend is voor iedereen. Het hangt samen met waar je vertrouwen (geloof) in stelt. En dat zijn bij Luther geen uiterlijkheden (kerk noch duivel), maar zit diep van binnen. Zonder bekering (die eigen verantwoordelijkheid serieus neemt en dat niet vroom in Gods schoenen schuift) valt er verandering noch toekomst te verwachten. Wie is aan zet?




Zalig Kerstfeest
25/12/16


Het is weer de tijd van goede wensen en gezelligheid. Zo mocht ik ook van menigeen mooie kaarten ontvangen met zeer uiteenlopende teksten. Er was zelfs een fraai eigentijds verhaal bij van “Het gerepareerde engeltje”. Wat me opviel was dat je aan de teksten kon aflezen wie de afzender was. Dat was met name bij het woord zalig. Het kwam inderdaad het minst voor, maar ik vind het nog steeds het mooist. Misschien wel omdat het zo op een innerlijke ervaring wijst, want wie zal dit woord bijvoorbeeld gebruiken bij het ruimen van een pluimveebedrijf, zoals dat nu in Gelderland plaats vindt.

Heb ik het mis als ik bij “zalig” denk aan iets bovenaards? Dat ik iets voel van hoogste geluk en opperste verrukking? Weliswaar blijkt het etymologisch verwant aan gezegend, maar toch voelt het net wat anders. Zou het kunnen zijn dat juist het meest innerlijke zich innig verbindt met het meest transcendente? Dan gaat het bijvoorbeeld over het samenzijn van de gelovige met zijn God, een samen vertrouwelijk verkeren, zoals wordt beschreven van Henoch (Gen.5:24) die met God wandelt totdat God hem meeneemt.


In veel goede wensen merk je hoe mensen denken aan gezondheid. Soms ook aan voorspoed, maar nergens wordt hen de Postcodeloterij toegewenst. Wellicht omdat men het banale daarvan inziet en beseft dat gezondheid iets anders is, onvergelijkelijk méér dan een gevulde bankrekening. Hoezeer kunnen ziekte en zorgen het leven verwoesten. En toch kun je in die ellende zaligheid ervaren als iets. dat je boven alle ellende uittilt. Zou het daar niet om gaan met Kerstfeest?


We zien uit naar een nieuw jaar 2017 met nieuwe kansen en nieuwe mogelijkheden en maken ons op om dat met elkaar op een feestelijke wijze te vieren. Wat mooi als je dat met elkaar liefdevol kunt vormgeven en beleven.

En toch kan je het daarbij overkomen dat sombere gedachten je bekruipen als we denken hoe de wereld in brand staat en we zelf niet of nauwelijks geneigd en in staat zijn onze beste wensen in vruchtbare en wereldwijde daden om te zetten. We beseffen dat vrome wensen al minstens 2000 jr. lang bestaan (ook toen werden liefde, waarheid en wijsheid gekruisigd), doch dat die meestentijds werden gezien als bedoeld voor inwendig gebruik, waarbij de bestaande uitwendige (wan-)orde zonder echte vernieuwing werd geconsolideerd.

Misschien is het zinvol deze feestdagen ook eens te gebruiken om na te denken over de betekenis van wat gelukzalig in het hier en nu zou kunnen betekenen. En of er mogelijk een relatie bestaat tussen onze weerbarstige domheid én de rampzalige ellende in de wereld. Dan zou men zich bijvoorbeeld minder christelijk of interkerkelijk noemen en het meer zijn en wars van het ijdel gebruik van grote woorden en namen, maar juist als volgeling beseffen wat een gezalfde door een niet te vatten Geest zegenend schenkt.

Dan wordt het voor méér dan de kerk, ja voor de hele wereld, welzalig kerstfeest!



Thuiskomen
02/12/16

Zo van tijd tot tijd ontvang ik uit den lande kerkbladen met soms opvallen teksten.
Zo gebeurde dat onlangs, toen wij weer huiswaarts waren gekeerd na een kort vakantie-reisje door Spanje en Frankrijk.
Hoe mooi zo’n uitstapje ook is: het voelt goed weer thuis te zijn. In je eigen vertrouwde omgeving.
Of is  “thuis” meer dan dat…?


In het toegezonden kerkblad vond ik twee gedichten die me daarover aan het denken zetten.
Over hoe een gebouw beschutting kan bieden en hoe men zich thuis kan voelen in een geborgenheid die mensen elkaar kunnen bieden.
Ja, zo hebben ook velen deze ervaringen verbonden geweten met hun geloof.
Ze wisten zich omringd en aangesproken door een vertrouwensvolle Stem, een herinnering kwam boven van poëtische en musische schoonheid, een Woord waardoor men zich her- en gekend kan voelen, zó, dat het zelfs boven een bepaalde vertrouwensvolle plek uitgaat.




Huis om stil te zijn


Uit straten ronkend en rumoerig

heb ik een weg, een plek gezocht;
ik vond, het hart beklemmend en roerig,
een huis gebouwd uit ademtocht.

Uit woordenvloed ben ik gekomen,

genaderd tot de bron van rust;
niet om er zomaar weg te dromen
maar stil te zijn naar hartelust.

Hier klinkt de taal niet angstaanjagend

en daal ik tot mijn wezen in,
in stilte die bevrijdt, ontwapent:
een stem die spreekt van dieper zin.

Het veilig masker mag doormidden,

ik toon mezelf een waar gezicht;
terwijl – geopend – handen bidden;
ontvangend, weerloos, vederlicht.

Ik voel me als herdacht, herboren –

het eelt, de ziel opnieuw doorbloed;
ik ga, weer mens als ooit tevoren,
de wereld anders tegemoet.

Eppie Dam




Thuis voor elkaar


Wij kunnen voor elkaar een thuis zijn,

als wij luisteren naar elkaar,
als wij er mogen zijn zoals wij zijn,
als verdriet en spanning erkend worden,
als kwetsbaarheid ruimte krijgt.

Een gebaar, een woord van begrip

kan een thuis scheppen.
Thuis is meer dan een woning.
Thuis is meer dan een tehuis.
Thuis is meer dan een onderkomen.

Thuis is mensen die elkaar verstaan.

Thuis is mensen die elkaar steunen.
Soms is thuis ook dat heimwee,
dat diepe verlangen eens thuis te zullen komen
waar geen pijn en geen verdriet,
geen eenzaamheid en vervreemding meer zullen zijn.

Marinus van den Berg


Juist in tijden van eenzaamheid en vervreemding, zelfs op momenten dat de wereld je als een vol, bekend en luidruchtig huis omringt, kan de behoefte aan de stilte groot zijn evenals om aan jezelf toe te komen.
Want velen zijn al zo lang voor zichzelf en elkaar op de loop.
Wat een groot goed is het dan om van een Ander te weten die het onuitgesprokene verstaat en onze diepste beweegredenen begrijpt.
Die ons op onze wegen vergezelt, het duister verlicht en de toekomst wenkt.
Om al doende voort te  gaan en oud vertrouwen opnieuw te voeden.

Over thuiskomen gesproken.





Wie zeggen de mensen, dat de mensenzoon is?
26/06/16

08.06.2016


Op meerdere bijbelplaatsen
(Matt. 16:13-16; Mark.8:27-30; Luc. 9:18-21) horen we de vraag van Jezus opklinken: wat zeggen de mensen over mij; en wat zeggen jullie? En door de tijden heen zijn op deze vraag vele verschillende antwoorden gegeven. Sommigen zien in hem de Messias, de beloofde bevrijder, anderen denken aan een heelmeester die zieken geneest of aan een wonderlijke mirakelman die niet aan natuurwetten gehouden is. Er zijn ook mensen die zich hem vereenzelvigen met liefde, of van hem - in alle oprechtheid - geen voorstelling maken kunnen.

Als je terug kijkt naar het begin van onze jaartelling en de beschrijvingen leest van evangelisten, theologen en geschiedschrijvers (wat zeker niet op hetzelfde neerkomt), kun je op grond van hun geschriften vele antwoorden geven. En het zou me niet verbazen als de vele antwoorden zelfs een tegengesteld beeld laten zien. Wordt er naast liefde niet óók gesproken van een verterend vuur dat op de aarde geworpen wordt (Luc.12:49), dat eerder verdeeldheid geeft dan om een vrede roept die geen vrede is? Waarom zou een mens ook niet leren van hetgeen hem geleerd is, uit hetgeen hem is overkomen en wat hij aan den lijve of ziel ervaart? Waarom zou een mens wel nadenken over de weersverwachting en niet nadenken over het leven, de banaliteit van het kwaad en het belang van rechtvaardigheid?

Zou vuur ook kunnen wijzen op iets aanstekelijks, iets wat uitzuivert en inspireert?  Dan gaat het niet over iets van buiten, maar van binnen, wat te maken heeft met wat we geestesadem en geestkracht noemen. Dan gaat het over iets in onszelf dat niettemin ons te boven gaat, dat verder gaat dan ontroering en sentiment. Dan gaat het over iets wat beminden overkomt, zelfs in hun slaap: een intense zielsverwantschap, die doet hopen op een geloof in liefde. Maar dat is dan wel liefde die door de dood is heengegaan omdat het uiting is van een geloof dat bergen verzet en zeeën droogt en omdat het hoopvol slaat op knikkende knieën die sterk worden, slappe handen die kracht vinden en gebroken harten die worden geheeld.

Nee, Jezus blijkt niet in een hokje te vangen. Op zijn vraag past geen uit ons hoofd geleerd dogmatisch antwoord. Uiteindelijk is voor ons de vraag naar de betekenis van de mensenzoon geen zaak van het hoofd maar van het hart. Het slaat op datgene waarvoor hij kwam en nog steeds komende is. En dat is niet een op leugenachtige mensen gebouwde kerk, maar op een waarachtig belijden met het oog op een in nood verkerende wereld, waarin niettemin ruimte biedend inzicht groeit en aanstekelijk vuur brandt, door een bezielende geest van boven.

En weten wij wat de mensen nú van hem vinden? Of is het beeld van hem zo door de tijden heen verduisterd dat zij elkaar slechts zonder of in zijn naam verketteren of verwonden kunnen? Wie weet nog van de mensenzoon, wie dat is en waarvoor hij er is? En als het niet om allerlei woordjes en weetjes gaat, aan wat en wie is dan te zien dat het om méér dan het alledaagse of weinig verhef-fend gewone gaat? Misschien is het de hoogste tijd om allerlei namen die strijdig zijn met de boodschap van de mensenzoon te herzien en onze christelijke bijvoeglijke naamwoorden maar wat minder te gebruiken. Wie hoort bij die mensenzoon…? Dat zal blijken, niet om wat hij of zij zomaar zegt, maar om wat hij of zij van binnenuit laat zien en waarin de mensenzoon zich blijvend verheugt.

* Denkend aan mijn op 24.02.2016 overleden mentor dr. W. S. Duvekot, die in 1972 promoveerde op
  “Heeft Jezus zichzelf voor de Messias gehouden?” en mij steunde in de doopbewijzenkwestie 1976.



Een huis en een thuis.
21/10/15


Een huis en een thuis

Zo van tijd tot tijd ontvang ik uit den lande kerkbladen met soms opvallen teksten. Zo gebeurde dat onlangs, toen wij weer huiswaarts waren gekeerd na een kort vakantie-reisje door Spanje en Frankrijk. Hoe mooi zo’n uitstapje ook is: het voelt goed weer thuis te zijn. Maar wat is dat thuis…?

In het toegezonden kerkblad vond ik twee gedichten die me daarover aan het denken zetten. Over hoe een gebouw beschutting kan bieden en hoe men zich thuis kan voelen in een geborgenheid die mensen elkaar kunnen bieden. Zo hebben ook velen deze ervaringen verbonden geweten met hun geloof. En zo hebben zij God gehoord.


Huis om stil te zijn

Uit straten ronkend en rumoerig

heb ik een weg, een plek gezocht;
ik vond, het hart beklemmend en roerig,
een huis gebouwd uit ademtocht.

Uit woordenvloed ben ik gekomen,

genaderd tot de bron van rust;
niet om er zomaar weg te dromen
maar stil te zijn naar hartelust.

Hier klinkt de taal niet angstaanjagend

en daal ik tot mijn wezen in,
in stilte die bevrijdt, ontwapent:
een stem die spreekt van dieper zin.

Het veilig masker mag doormidden,

ik toon mezelf een waar gezicht;
terwijl – geopend – handen bidden;
ontvangend, weerloos, vederlicht.

Ik voel me als herdacht, herboren –

het eelt, de ziel opnieuw doorbloed;
ik ga, weer mens als ooit tevoren,
de wereld anders tegemoet.

Eppie Dam


Thuis voor elkaar

Wij kunnen voor elkaar een thuis zijn,

als wij luisteren naar elkaar,
als wij er mogen zijn zoals wij zijn,
als verdriet en spanning erkend worden,
als kwetsbaarheid ruimte krijgt.

Een gebaar, een woord van begrip

kan een thuis scheppen.
Thuis is meer dan een woning.
Thuis is meer dan een tehuis.
Thuis is meer dan een onderkomen.

Thuis is mensen die elkaar verstaan.

Thuis is mensen die elkaar steunen.
Soms is thuis ook dat heimwee,
dat diepe verlangen eens thuis te zullen komen
waar geen pijn en geen verdriet,
geen eenzaamheid en vervreemding meer zullen zijn.

Marinus van den Berg







Gedachten over de in Denia bekeken film: Luther
30/07/15

Als de Lutheranen (en met hen ook veel zich Calvinisten noemende protestanten) zich opmaken voor de 500-jarige herdenking van de reformatie in 2017, verschijnt deze door de Amerikaanse “Thrivent Financial for Lutherans” aangekondigde film. Wellicht is de financiële herkomst (buiten een maximaal bereik) de reden dat deze produktie geheel in het Engels is gesproken en niet in de te verwachten Duitse taal. Het geheel ademt een typisch Amerikaanse sfeer. Groots opgezet, maar echt diep-gaand en bezield kan ik het niet vinden. Wel bevat het mooie beelden en geeft in zekere beknoptheid de belangrijkste zaken weer uit het leven van de reformator.


De film wordt aangekondigd als een biografie, maar begint als Luther 22 jaar is en eindigt 16 jaar voor zijn dood. De middeleeuwse sfeertekening is zeker fraai te noemen en geeft een  aardige indruk van die tijd, maar overdrijft ook, als toch wel erg vrij en zwierig met de historische gegevens wordt omgesprongen (b.v. bij de Pilatustrappen in Rome, of bij zelfkastijdingen, of bij de colleges in Wittenberg, of bij een weerkerend kreupel meisje, of bij de romance met Katharina v. Bora). Wordt zo een held geëerd?

Een andere vraag is wat Luther’s beleving van, of gegrepenheid door het Woord van God, voor hemzélf betekende. Dat komt slecht uit de verf. En dát zou nu juist boeiend en wervend hebben kunnen zijn, zonder er een rare evangelisatiefilm van te maken.

Voor mij wordt de betekenis van Luther in deze rolprent onvoldoende, uitgedrukt. Zo zie je wel zijn geschriften die hij zou moeten herroepen, maar de inhoud ervan wordt nauwelijks duidelijk gemaakt. Bovendien lijkt me de betekenis in méér gelegen dan slechts wat selectief en romantiserend omkijken naar weleer. De vraag hoe hij b.v. geworsteld heeft met de Godsregering (theodicee) en zijn antwoord met de Twee-rijken-leer, lijkt me ook voor vandaag, van méér belang. En dan moet je ook bereid zijn te noemen wat in onze ogen “missers” zijn, want ook daar valt lering uit te trekken (behalve zijn houding in de boerenopstand en naar de dopersen, humanisten en andere “duivelskinderen”, valt hier ook aan zijn visie op de “onbekeerlijke” Joden te denken).


Luther wilde geen nieuwe kerk stichten, maar daarvan is het wel gekomen. Je vraagt je af wat zijn vooruitziende blik was en waar zijn zielsverlangen naar uitging. En hoe heeft in de afgelopen eeuwen de Lutherse wereldkerk zich ontwikkeld en gedragen? De betekenis van de reformator moet toch in méér te vinden zijn dan de aandacht voor het lied en de liturgie, de beeldende en muzikale kunst?  Delen Christenen (en onder hen zeker de Lutheranen) het verlangen in uitzien naar een nieuwe, bezielde en bezielende Luther, die het lef heeft, in weerwil van de gevestigde (wan)orde, de huidige problemen te lijf te gaan met het “weerloze” Woord en de “geestelijke” Wapenrusting..?

Dus alstublieft geen megalomaan bla-bla-gedoe, of wat goed bedoeld gnostiek geneuzel, met  beroep op een geest, waarbij het Woord ondergeschikt of zelfs afwezig is. Ook geen hang naar conservatisme (alsof de tijd heeft stil gestaan), maar met open ogen en wereldwijd. Dát zou oprecht reformerend en werkelijk oecumenisch zijn.

Onder de indruk kwam ik van de geschriften van een onlangs eveneens door de kerk uit zijn ambt ontzette Duitse doctor in de theologie (waarover later meer). Behalve dat door hem rake opmerkingen worden gemaakt over Luther als rebel der genade, worden zeer wezenlijke vragen gesteld naar de aanwezigheid van Christus’ lichaam, dat toch reddend in de wereld aanwezig zal zijn. Op velerlei wijzen bindt hij de mensen op het hart niet te vrezen. Want wat is méér noodzakelijk dan dát, wat dáárdoor uitgebannen wordt..!

Wat ánders behoeven mensen (binnen en buiten de kerk en nú niet minder dan ooit), dat het Woord van alzo hoge, hier in ons midden vlees en bloed wordt…?




Pinksteren
31/05/15

Onlangs las ik over Pinksteren als de verjaardag van de kerk/gemeente. De indruk die ik daarbij kreeg was dat het eigenlijk in het evangelie zou gaan over het voortbestaan dáárvan. Maar gaat het juist niet over de funktie ervan? De kerk als een rots in de branding, waarnaar de grond-woorden kyriake en ekklesia, verwijzen: over in eenheid geroepen- en verkoren-zijn: als een reddingspost in een lijdende wereld.

Met de krant over al het schokkende wereldnieuws op schoot, dacht ik aan het uitzicht, dat wij vanuit de hotelkamer hadden, op de mooie zeekust. De zee, die veel mensen plezier en werk biedt, maar die ook zo monster-achtig en verraderlijk kan zijn.

Of deze kust gevaarlijk is en of schipbreuk veelvuldig voorkomt, weet ik niet, maar ooit was er een eenvoudige kleine reddingspost. Het gebouwtje was alleen maar een hut, en er was slechts één boot. Een paar toegewijde leden van de post hielden de zee voortdurend in het oog. Bij dag en nacht was hun aandacht gericht op drenkelingen. En zonder teveel aan zichzelf te denken, konden ze menig mensenleven redden, waardoor zelfs bij buitenstaanders hun inzet bekend werd. Sommigen van degenen die gered werden, en verschillende anderen uit de omgeving, sloten zich bij de reddingspost aan. Ze gaven hun tijd, hun geld en hun kracht om het werk te steunen. Zo werd er een paard beschikbaar gesteld om de boot in het water te brengen, ja, zelfs nieuwe boten werd aangeschaft en nieuwe bemanningsleden getraind. De kleine reddingspost groeide.

Nu bleek op een gegeven moment dat enkele leden niet zo tevreden waren over de bestaande accommodatie. Het gebouwtje zag er toch wel erg eenvoudig uit, en het geheel was armoedig uitgerust. Zij vonden dat er een comfortabeler plaats moest worden ingericht als eerste opvang voor hen die uit zee werden gered. Dus werden de noodkribben door echte bedden vervangen en beter meubilair in het inmiddels vergrootte gebouw geplaatst. En zo werd de reddingspost ook de plaats van vergadering en samenkomst van de leden. De post werd mooi versierd en was nu ook te gebruiken als clubhuis. Maar steeds minder leden waren er nu nog geïnteresseerd om de zee op te gaan en levens te redden.
Omdat het reddingsmotief nadrukkelijk in het wapen van de reddingspost stond, en de oude reddingsboot in de zaal te zien was (nieuwe leden werden daarbij ingeschreven), vond iedereen wel dat een oplossing voor het voortbestaan moest worden gevonden. Dat gebeurde door het aantrekken van speciaal geclassificeerde bemanningsleden. Ook rupsvoertuigen deden hun intrede en het paard werd afgeschaft

Het was in die tijd dat een groot schip schipbreuk leed. De gehuurde bemanningsleden brachten boten vol koude natte en half-verdronken mensen aan wal. De meesten waren smerig en ziek. En sommigen hadden een anders gekleurde huid en roken vreemd. Het prachtige clubhuis veranderde in een chaos. Daarom liet de beheerscommissie buiten het clubhuis een douchegebouw plaatsen, waar slachtoffers van schipbreuk eerst konden worden verschoond.

Op de volgende vergadering ontstonden er diepgaande meningsverschillen en scheuringen onder de leden. Er waren er die de reddingsactiviteiten wilden stopzetten, omdat het normale clubleven eronder te lijden had. Sommigen hielden vast aan het redden als allereerste taak. Zij benadruk-ten dat ze nog altijd reddingspost heetten. Ook waren er onder hen die het op de oude manier wilden doen en weer graag het paard van stal wilden halen.
Tenslotte werd er gestemd. De uitslag was duidelijk: de voorzitter zei dat als er leden waren die levens van schipbreukelingen wilden redden, zij maar een eigen reddingspost moesten beginnen. En dat gebeurde. Het meningsverschil op welke wijze – authentiek, met paarden of niet – werd bijgelegd. Maar toen de jaren verstreken, onderging de nieuwe post dezelfde veranderingen als de oude. De reddingspost veranderde in een club. En zo werd er wederom een nieuwe post aan de kust gesticht.
De geschiedenis ging door met zichzelf te herhalen. En als je vandaag de dag de kust bezoekt, zul je een aantal exclusieve clubs langs het strand aantreffen. Schipbreukelingen komen nog steeds voor in deze wateren. Hoeveel het er zijn weet ik niet, maar wel dat de meesten van hen verdrinken.



Aan de oever van de Hemel-Vaart
10/05/15
Voor de kleinkinderen van Korach en aan alle opper- en onderzangmeester als hymnische basisschool-theologie.

Varen doe je met een boot. Maar als in de H. Schrift sprake is van ten-hemel-opneming, denken we meer aan een rijtuig, een lichte wolkenwagen, paarden en ruiters van Israël, en niet direkt aan een vaart met water, waarvan de overzijde bereikt moet worden.

Jarenlang woonde ons gezin aan het Oranje-kanaal. Een smalle vaart met behoorlijke hoogte-verschillen. Daarom zijn er ook een aantal sluizen, waardoor destijds de turf-schepen hun bestemming konden bereiken, zoals tegenwoordig de pleziervaartuigen. Van laag naar hoog. Je klom als het ware op naar hoger gelegen doelen en sferen.

De Hemel-Vaart is echter een breed water dat in de zon glinstert en waarvan de golven kabbelen. Het is rustig weer. Er varen schepen voorbij. Aan de overzijde ligt een land van louter licht. Het is de andere kant, die ook wel hemel wordt genoemd.

Van verschillenden wordt verteld dat zij de oversteek gewaagd hebben. Ik denk aan: Jakob (al vechtend met de engel), Mozes (al vluchtend met Israël uit een slavenbestaan), Elia (bij de doods-Jordaan en later met een hemelwagen), Christoffel (met het kind op zijn schouder).  Maar dat laatste verhaal veronderstelt enige kennis van het kind, dat meerdere keren de oversteek zou wagen. En daarover gaat het volgende verhaal…

Jezus en zijn leerlingen stonden eveneens aan de vaart. Ze namen afscheid. Jezus zou oversteken naar de overkant en de leerlingen zouden hier blijven, in dit land, op hun eigen plek, waar hun huis is, bij hun eigen mensen, bij hun vrienden en vreemden.

Het was een echt afscheid. Van Jezus - hun Meester - hadden zij zoveel geleerd dat zij het nu zelf moesten weten. De goede boodschap zouden zij al biddend en zingend dóór-vertellen in woorden en daden, om anderen te winnen en om met elkaar te vieren (tot en met in een hooggestemde liefdesmaaltijd) dat het door God gegeven leven goed is.

Ja, dat konden ze nu allemaal zelf (hoewel zij tot aan hun laatste snik leerling zouden blijven). Ze wisten van de betekenis van de doop, ze vertrouwden op God en hadden elkaar lief. “Maar zien we u dan nooit weer...?”, zo vroegen ze aan de Meester. “Als u aan boord stapt en naar de overzijde vaart, zijn we u dan voorgoed kwijt...?”

Jezus keek hen aan en zei: “Ik ga wel heen, maar mijn adem wil jullie voor altijd bezielen.  Als ik straks de zeilen gehesen heb en weg vaar, moeten jullie niet aan de oever blijven staan, alsof je op mij blijft wachten. Je mag me uitzwaaien, maar niet te lang. Niet tot ik een stipje aan de horizon ben. Niet tot je ogen zeer doen van het turen.

Je zwaait me uit, maar als ik het tweede zeil hijs, moeten jullie weggaan, terug naar je huis, naar het dorp, naar de mensen. Het is een mooie dag. Deze dag moet je niet vergeten te vieren, morgen, en overmorgen. Steeds weer. Want je bent mij nooit voor-goed kwijt. Jullie weten toch dat ik je niet in de steek laat? Jullie kennen mij toch…?


Weet je nog dat ik jullie al mijn verkleedkleren heb laten zien? In die oude grote kist: de jurken, broeken en de jasjes. En die andere kist met de pruiken, snorren, baarden en lange wimpers en die gekke hoedjes, de brilletjes en wandelstokken. En de tas met de geurtjes en kleurtjes, de ringen en schminkspullen, de oogschaduw en lippenstift.

Dat blijf ik doen. Als ik aan de overkant de hemelse haven ben binnengelopen, de zeilen strijk en de boot stevig aanmeer, dan til ik de oude grote kist, de andere kist en de tas met de leren hengsels de kade op. Gods engelen zullen de kisten en de tas dan van mij overnemen en de hemel indragen. En dan kleed ik me om…

Misschien vandaag nog, of anders morgen, zul je tussen alle mensen in de stad heel even iemand zien met dat gekke gele hoedje. Dan weet je dat ik er ben. En als iemand

naar je toe komt met een brilletje waar hij haast niets meer door ziet, zwaaiend met zo’n witte blindenstok met rode strepen, wees dan vriendelijk voor hem, want ik zou het zomaar kunnen zijn.

Misschien vandaag nog, of anders morgen, zie je een kind dat jouw taal niet spreekt en een andere huidskleur heeft. Het ruikt naar keukenkruiden die je niet thuis kunt brengen. Het komt bij jou op school, bij jou in de klas nog wel. In de krant staat dat het hier misschien niet langer mag blijven en teruggestuurd wordt naar een gevaarlijk land, waar oorlog woedt. Het kind is bang daarvoor... Weet dan dat ik er ben…!


Ik laat jullie niet alleen. Ik zal er altijd zijn. Jullie kénnen toch die oude grote verkleed-kist, en die andere kist en die tas met de leren hengsels..? Jullie weten toch als geen ander, hoeveel er allemaal in zit…? De hoeden hebben jullie zelf gepast en op de hoge hakken hebben jullie zelf gelopen…


Nee, ik laat jullie nooit in de steek. Jullie zullen mij altijd zien en weten dat ik er ben, vandaag, en morgen, en overmorgen…”

Jezus keek de kring rond. Hij heeft zijn leerlingen toen één voor één aangezien om te kijken of ze het begrepen hadden. Ze knikten… ja, ze hadden het begrepen.

Het water klotste tegen de boot. Ze liepen de stijger op en Jezus stapte aan boord. De Hemel-Vaart lag breed te glinsteren in de zon. Er vlogen nog wat vogels over… Ze zagen de oude grote kist, de andere kist en de tas met de leren hengsels onderaan de mast staan.

Jezus hees het zeil. Hij trok het omhoog langs de mast. Het bolde open in de wind. De touwen, waarmee de boot lag aangemeerd, haalde hij in, en meteen zette de boot zich in beweging en voer langzaam weg. Ze zwaaiden.  “Vaar-wel…”, riepen de leerlingen. “A-Dieu”, riep Jezus.

De vaart was breed. Jezus trok het tweede zeil omhoog, en de leerlingen herinnerden zich wat Jezus gezegd had: “als ik het tweede zeil hijs, moeten jullie weggaan, terug naar huis, naar het dorp, naar de mensen, want het is een mooie dag…”. Ze zwaaiden nog één keer. Jezus zwaaide al niet meer terug. Hij was ingespannen met het zeil bezig.

Ze liepen van de stijger terug de oever op, langs de bomen naar het pad dat landinwaarts leidt. Ze keken nog één keer om. De Hemel-Vaart glinsterde in de zon. De boot waarmee Jezus ten hemel voer, was een stipje geworden, een stipje in de verte.

Ze liepen naar het dorp. En toen ze de toren zagen, dachten ze: “Nu toch ongeveer moet Jezus daar aan de overkant de haven binnenlopen, de zeilen strijken, aanmeren, die oude grote kist, de andere kist en de tas met de leren hengsels op de kant tillen. Daar nemen de engelen ze van hem over en dragen ze de hemel in. En dan kleedt hij zich om…”.



Gedachten bij Pasen.
01/04/15

“Want alles, alles is voldaan”


Voorafgaand aan de goede of stille week, werd ik uitgenodigd om een van Bach’s Passies in het Palau de la Música te Valencia bij te wonen. Met mijn gastheer was ik vroegtijdig erheen getogen, en omdat het de eerste warme dag na een kille week was, besloten we ook het oude stadscentrum te bezoeken. Na enige tijd rond gewandeld te hebben, streken we vermoeid op een zonnig terrasje neer. Een tafeltje verderop bleken ook Nederlanders met precies dezelfde doelstelling te zitten, en dus schoven we al snel aan en hadden een gesprek over de Passion.

Op een zeker moment vertrokken de anderen en bleef ik alleen achter, genietend van een heus ijsje en een sprankelende tonica. Klein, maar wel fijn, het smaakte zoals de zon voelde: weldadig. De bediende vertoonde zich echter niet meer en dus liep ik na enige tijd naar binnen om mijn schuld te voldoen. Niemand had betaald, dus nam ik me voor ook dat van de anderen voor mijn rekening te nemen. Aan de bar ontstond toen een misverstand. Hoe ik ook aandrong, men was niet genegen mijn betaling in ontvangst te nemen. Even dacht ik nog: is dit misschien typisch Spaans? Maar direct daarop kwam mij de essentie van de klassieke christelijke theologie van Pasen voor de geest: er is al voor je betaald!

Tijdens de thuisreis na de fraaie uitvoering van Bachs meesterwerk, nam ik me voor met Pasen een lied te zingen uit een liedbundel, die doorgaans niet tot mijn favoriete behoort. Een heel erg uitbundig lied. Mede daardoor roept het misschien wel vragen op als die van mijn consumpties. Is die verzoening-door-voldoening geen goedkope genade? Is het betalen van mijn schuld door een ander, niet een miskenning van eigen verantwoordelijkheid? En is de Zoon los te denken van de zoon van Abraham en Israël, van de Exodus uit angstland of van een waar ook ter wereld te vrezen helle-vaart? En zou het bloed van de zoon van een Psalmen-zingende vredesvorst niet wat meer over ons en in ons DNA moeten komen?

Thuisgekomen, hoorde ik nog steeds de indringende muziek van Bach, die hij eeuwen geleden maakte bij het indringende passieverhaal van de evangelisten. Doch ook de gedachten over het beoogde Paaslied waren niet weg. Ik vroeg me af: is de kern van Pasen niet dat er - hoe dan ook - momenten zijn waarop er een genadige goedheid - ondanks onszelf - doorbreekt? Dat ons doet opspringen (=Pesach), opstaan, opgaan! Een kracht die door alle dood en doodsheid heen- breekt. Zoals zovelen, heeft de ENE daarvoor toch niet een bloedig offer nodig en eist Hij betaling? Maar dát Hij schulden vergeeft en een nieuw begin maakt, is in het Mozes- en Jezus-evangelie nadrukkelijk gezegd en verbonden met feest.

In Psalm 103 en 139 wordt het eveneens zo diepmooi verwoord. God komt ons nabij, doet zonden ver van ons weg en laat ons uit diepe slaap ontwaken, want Hij kent ons en weet hoe en wie wij zijn… Zou Pasen dan het feest zijn van de betaalde consumpties, of van de consumpties zonder betaling? En dat er tot onze verwondering eeuwigheidsleven aanbreekt: onherroepelijk leven dat geborgen is in God en doordrenkt van liefde! Laat ons toch vooral dát leven léven en daarom (méér dan: voor de boeg, in het verre “hinein”) het als een steun in de rug voor nú ervaren, als we uitbundig zingen “Daar juicht een toon, daar klinkt een stem…”




Is meten weten?
17/02/15
Over kennis vergaren en zelfkennis opdoen.

Kennis en zelfkennis lijken op het eerste gezicht weinig met elkaar uitstaande te hebben. Het eerste is een cognitieve aangelegenheid, zo wordt gezegd, en heeft met leren en een leerroute te maken. Het tweede is meer een affectieve zaak en refereert aan ervaringen en gevoelens. Maar is die onderscheiding wel juist, laat staan als tegenstelling? En hoe is het verband tussen  leren, leer,  weten, wet, zelfkennis en Godskennis? Brengt het leren van bijbelboeken en catechismus ons nader?


Voor het werk van neuroloog Dick Swaab en cardioloog Pim v. Lommel heb ik groot respect (de laatste ken ik nog van m’n werk in het Arnhemse Diaconessenhuis). Maar de suggestie als zouden zij op aantoonbare wijze het Godsgeheim naderen of ontraadselen, lijkt me zowel onwaar als aan-matigend. Mijn buurman (filosoof Ed Vermeulen) verdiepte zich ook in de bovennatuurlijke menselijke eindig-/oneindigheid en het bewust-/onbewustzijn en de daarmee samenhangende vragen. Maar vanwege het subjectieve van Godservaringen was hij juist zeer terughoudend. Hij besefte dat ons kennen nooit méér dan ten dele is. Je hoeft niet conservatief te zijn om toch een onwrikbare funda-mentalistische kijk op de dingen te hebben. En dat vindt je buiten de religie evenzeer als er binnen.


Van lang geleden herinner ik me de lezingen van prof. Van Niftrik over “Waar zijn onze doden” en “De hemel”. Zowel als dogmatisch geleerde als meevoelend mens, gaf hij voorzichtig aan hoe naar zijn inzicht de bijbelschrijvers troostend licht lieten schijnen en waarom, en waarom niet.

Zeker, er zijn ook theologen die stellen dat alles over boven van beneden komt *, maar zelfs dat zegt nog niets over het Godsgeheim zélf, en ook niet hoe het ons vóóruit is en te ná komt.

Ook valt het me dikwijls op hoe veel christenen aan buitenbijbelse visies, vastigheden menen te ontlenen m.b.t. hun geloof. Uit hun eigen schatkamers konden ze die blijkbaar niet of nauwelijks opdiepen. En dus ben ik geneigd me af te vragen of ook wij mét en áán onze eigen geestelijke bagage wel voldoende levenslessen geleerd hebben. Of zouden we onszelf mogelijk de verkeerde vragen stellen en zoeken naar dito antwoorden? Hoe verrijkend is dan Kahlil Gibran in “De Profeet”.


Het begint al met de vraag wat je met kennis bedoelt. De Grieken zullen gnosis zeggen en  daarmee het irrationele en inzichtelijke bedoelen, wat zij tegenover een houding van geloven en uiterlijk gezag stellen. Dan is het één inzicht verkrijgen door rijping tot een innerlijk gebeuren, en wordt het ánder het aanhangen van een mening door het stellen onder een autoriteit. Het is zeer de vraag of we hiermee de begrippen recht doen (incl. het oud-Nederlandse (be)kennen), die ten grondslag liggen aan een kennelijk geloof zoals dat in de bijbel voorkomt. Daar gaat het steeds om innerlijke ervaringen en geestelijke exercities, zoals ook beschreven door talloze meesters en mystici.


M.a.w. kijk uit dat je niet tegenover elkaar plaatst wat bij elkaar hoort en dat je zou verzelfstandigen wat onderdeel behoort te zijn. Een mens leeft niet alleen bij verstand noch alleen bij gevoel. Zijn het niet beiden, de cognitieve en affectieve zijden, die zelfreflectie en zelfkennis mogelijk maken?

Een tweede vraag is de weg er naar toe. Hoe kom je tot een innerlijk verstaan, tot zelfkennis en zelfreflectie, en hoe kan dat tot Godskennis leiden. En zou Godskennis niet hoorbaar en zichtbaar willen worden in het leven van alledag, handen en voeten krijgen, en aan alle mensen dienstbaar?

In het apocriefe (=verborgen) Thomas-evangelie is die zelfkennis uiterst belangrijk: “Als jullie jezelf niet kennen dan zullen jullie in armoede zijn”, zegt Jezus daar. Hij benadrukt zelfs: “dan zijn jullie armoede.”  Zelfkennis hangt samen met kennis van het Al. Kennis van de ander/Ander begint met kennis van jezelf. Als je jezelf niet kent en aanvaardt, blijft de ander voor jou een vreemde en zelfs een potentiële vijand. Als je niet weet waartoe jijzelf in staat bent, als je de diepten van je eigen ziel niet hebt verkend, hoe zul je werkelijk in staat zijn een ander te aanvaarden en te vergeven?


Het is als met de balk en de splinter. Je bent pas gerechtigd iets over een kleine misstap van je zuster of broeder te zeggen als je weet hebt van het negatieve in jezelf. Als je wérkelijk weet wie jezelf bent en jezelf hebt aanvaard met alle positieve en negatieve kanten, kán het niet anders dan dat je ook je medemens zijn negatieve kanten liefdevol vergeeft en die mens aanvaardt met alles erop en eraan. En hoe zou je iets van Gods liefde kunnen verstaan als je niet eerst de enorme mogelijkheid tot liefde geven en ontvangen in jezelf hebt ontdekt. Dié kennis voert tot wijsheid.


* Prof. Kuitert, die overigens niét  “de schat in aarden vaten” (2 Korintiërs 4:7) ontkent. De vraag hoe we            aan die schat komen en of die kenbaar is zonder geloofservaring of –beleving, is hier echter van belang.



28/12/14
Marc Chagall: de regenboog

Met Kerst denken we aan het tafereel, dat de goed-nieuws-verteller Lucas in gedachten roept als de parousie (= aankomst) van de Messias in ons bestaan zich aandient. Hij vertelt van een weerloos kind in een beestenboel. Het kán niet, zeggen de mensen (maagdelijke geboorte) en het mág niet, zeggen de heersers (kindermoord), maar het gebeurt wel. Want hier wordt geen gynaecologie beschreven, noch The Jeruzalem Post geciteerd, maar lichtend heil bezongen in een donkere nacht. En dat kan door geen terreurdaad worden weerhouden of teniet gedaan. Zijn ontvangenis is even heilig als onze afstamming van Abraham geestelijk is, en even wáár als wij zeggen: Abba, Vader.  Zijn aankomen is zoals een nieuwe koning zijn volk bezoekt en zij hem verwelkomen. Hij is er (alsof ineens de oude niet uit te spreken Godsnaam klinkt)! En dus: komt allen tesamen.
Het is niet het enige verhaal, waarin van intocht sprake is. Misschien wel het mooiste en meest idyllische. De andere evangelie-schrijvers doen het ieder op hun eigen manier. Maar ook in het aloude of eerste testament wordt de parousie van de Messias en zijn rijk al veel-vuldig beschreven. We zouden de misvatting en onderwaardering van die geschriften bevorderen, en de schrijvers daarvan en onszelf tekort doen, als we dat zouden vergeten.

De ziener Chagall schildert van een verbond tussen God en mensen. Hij ziet hoe een kleur-rijke boog (en niet langer grauw wapentuig) als een beschermende koepel verschijnt waar-onder vrede en veiligheid, vreugde en vrijheid op aarde gestalte krijgen. Met eer aan God en heil voor de mensen. En als er al soldaten zijn, laten zij dan niet langer naar heersers opzien noch naar verwoesting uitzien, maar naar bogen die de opgang van het heil dienen en niet de ondergang van een goede schepping die tot geluk bestemd is. Verbondstrouw heet dat.

Deze heilssoldaten vechten niet voor méér soldij, nemen geen genoegen met het bestaande en zijn ook niet tevreden met ouderwetse fratsen en nieuwerwetse moraal. Zij zijn gegrepen door dromen en visioenen. Zij hebben leren wachten en verwachten. Zij beseffen wel terdege geen Godsrijk te kunnen vestigen, waar zij zo naar hunkeren en van zingen. Maar júíst door hun uitzien naar de parousie, verandert hun kijken naar de mensen en de wereld.
En gedachtig aan de oude verhalen zoeken zij creatief naar ándere mogelijkheden, die zo ánders zijn, dat heil gediend wordt. Zij pogen tegenstanders vijand-af te maken en ware humaniteit te bevorderen. Ja, ook de dieren en moeder aarde heeft hun aandacht. Zoals in de stal bij een weerloos kind: vrede was het overal, wilde dieren kwamen bij de schapen in de stal en zij speelden samen. Mensen en engelen zingen hun hoogste lied… In de gloria..!
Zou het gehele verhaal van de Regenboog tot aan de Vredesvorst, iets ánders beogen…?

Toelichting bij de schildering als oefening van zien:
In het goddelijk verbond, waarbij ook voor dieren en kinderen een veilige plaats is (Ez.24:25 en Hosea 2:20 en Jesaja 116-9 en 65:25), wordt de boog gebroken en niet langer als oorlogs-tuig gezien. De macht wordt de machtigen ontnomen en soldaten zien dat hun zwaarden worden omgesmeed tot ploegscharen (Jes. 2:4). Chagall ziet de boog van God als een lichtende hemelkoepel die de gehele duistere aarde overspant. Wie het zién zullen Hém zegenen en prijzen, die ons dit verbond schenkt (Jezus Sirach 43:11-12).

Beneden zien we in de schildering het lichaam van Noach uitgestrekt (alsof hij ontwaakt uit een droom), zijn hoofd ondersteund door zijn linkerhand. Op zijn gezicht zien we dankbaar-heid en hoopvolle verwachting. Rechtsmidden: Adam (eveneens in blauw) en Eva (in groen). Links daarnaast het volk met de zondebok. Geheel links zien we een andere mensengroep naderen die verlangend hun handen uitstrekken. In het midden het volbrachte offer waarvan de rook opstijgt. In de twee bovenhoeken schilderde Chagall Mozes met de Thora en David met de Psalmen (het spreken van God en de zingende reactie van mensen). In het midden: een baardige engel met rode vleugel, die als dienaar en gezant, garant staat voor de instand-houding van het teken, waarmee het verbond ook steeds weer betekenisvol zichtbaar is.