Nederlandse Interkerkelijke Gemeente Denia
Lied van de maand


Rieks Hoogenkamp (67) was twintig jaar predikant in Zuiderwoude en Uitdam.
Behalve voorganger en geestelijk leidsman, was hij ook de drijvende kracht achter tal van culturele en maatschappelijke initiatieven.
Vooral via Areopagus, centrum voor kerk, cultuur en samenleving, en na de opheffing ervan via zijn Catharinastichting.
Hoogenkamp, een groot poezieliefhebber, was ondermeer de bedenker van de muurgedichten die overal in de gemeente Waterland zijn aangebracht.

Rieks publiceert gedichten en proza.
Het Lied van de Herinnering.
12/10/15

Het lied van de herinnering

(wijs: lied 101)

Het is een wonderland: herinneringen.
Een deur gaat open, 'toen' komt binnendringen.
Een vader zwaait en moeder lacht naar mij.
Dan is ’t voorbij.

En om ons heen de talloze getuigen:
foto's en meubels, boeken, kroongetuigen
van wat ooit was en wat nog in ons huist
en ons doorkruist.

De kerk herinnert zich of gaat ten onder.
Wij leven van het ons vertelde wonder
dat steeds weer in ons midden leven gaat
als mosterdzaad.

Herinneringen: ondergrondse tuinen,
waarin ik dwaal. Maar laat mij rondbazuinen
de veerkracht en de vaart van Zijn verhaal:
groots en royaal.



Voornaam.
22/03/15
'Hier in Zuiderwoude noemen we elkaar bij de voornaam, dat is veel gezelliger. Dat werd me spoedig na aankomst gemeld. Is dat zo? Is het hier gezelliger als wij dat van Dijkeinde tot Peereboomweg, van Aandammergouw tot Zeedijk doen?

Voornamen hebben voordelen: ze zijn korter en gemakkelijker te onthouden dan achternamen.
Als ik ze vergeten ben mompel ik iets onduidelijks en de aange
­sprokene reageert wel.
Bovendien lijken we gelijk: we zijn allemaal maar gewone mensen die in de tuin rommelen, op de gemeente afgeven of klagen over het weer. Wij kijken niet naar stand of status. Is dat zo? Is die druiloor van een buurman beter te verteren als ik hem Kees noem?

Thuis zei ik altijd 'u' tegen mijn ouders. Niks je' en jij'.
Het bij de voornaam noemen was iets bijzonders in die voorbije wereld vol mijnheren en mevrouwen.
Soms kwamen kennissen op visite 's avonds. Veel gelach en gepraat (dat konden ze wel) maar het bleef u'.
Aan het eind ging iedereen staan om elkaar een hand te geven, mijn vader schraapte zijn keel (nooit mijn moeder) en zei na een onhandige stilte: 'Zullen we elkaar dan maar tutoyeren?'
Het woord alleen al! Stel je voor dat ze 'nee' zeiden.
Maar gelukkig, het mocht. De volgende dag werd ons gezin mee
­gedeeld dat we er weer een oom en tante bij hadden.
Op die manier verzamel je natuurlijk een uitgebreide collectie.

De voornaam lag pas klaar als de eindprijs na een lange weg.
Met een schit
­terend horkerig ritueel. Elkaars naam noemen stond voor 'elkaar kennen, elkaar mogen', een emotionele belevenis die zelden zo goed gedocumenteerd is.
Het tutoyeren had een onderscheidende, gevoelsmatige lading.
Onze naam is nu nog alleen een streepjescode in de relationele uitverkoop. Het echte werk gebeurt elders.

In mijn geval speelt nog iets anders. Een dominee werd vroeger met enig ontzag tegemoet getreden.
Je had op het dorp een top drie: dokter, dominee en notaris. Dan kwam er een tijd niks en vervolgens het grauw.
Ik vat die mooie tijd even samen. De laatste eeuw heeft de predikant een pijlsnelle duikvlucht gemaakt. We staan nu 73e, ex aequo met de brandweerman.
Toch een eervolle positie. Vroeger werd ik bij mijn beroep genoemd. Dat hoorde ik graag. Het had iets knus.
Aan de overkant de bakker, de groenteman en de dokter, aan deze kant de meester, de kroegbaas en de dominee.
Een overzichtelijke wereld zeker voor kinderen. Wij gingen daar door het leven als 'dominee en Jeltje'.
Mijn vrouw doet niet zo moei
­lijk. Nu we sociaal afgezakt zijn reageer ik op alles wat klinkt binnen de vierhoek Fiets-Riek-Piets-Dominee.
Al roepen ze het uit de maxi-cosy. Jezus noemt zo nu en dan mensen bij hun naam in het evangelie. 'Petrus' of'Maria'.

Ze ondergingen dat als een ongehoorde liefkozing.



Scharrelen.
16/10/14

Wat voert een dominee uit? Zo'n vraag overvalt me en zet me aan het denken. Ja, wat voer ik eigenlijk uit? Een timmerman ziet het huis hoger worden en de srv-man zijn wagen leger. Maar wat doe ik, behalve dan 'het ene uurtje preken op zondag'?

Heb ik het druk? Nee, hoogstens maak ik me druk. Een gemeente vraagt niet zoveel. De enige van wie ik last heb, ben ik zelf Ik hoef bijvoorbeeld niemand te bezoeken. In het rondgedeelde jaarprogramma staat de mogelijkheid aangegeven de predikant op bezoek te krijgen. Daar maakt geen enkel gemeentelid gebruik van. Voor Noord-Hollanders hoeft dat niet: een predikant officieel op visite. Als hij komt, sta je er slecht voor. Mij klinkt dat gezond in de oren. Ik werkte eens in een gemeente waar de predikant al voor een bloedneus opgeroepen werd. Een zakdoek helpt meer.

Er zijn nu twee mogelijkheden. Je brengt het hele jaar geen enkel bezoek, tenzij gevraagd. Of je gaat ongevraagd op pad, met het risico dat ze de hond op je loslaten. In een vorige gemeente ging ik alle mensen langs die aangaven 'absoluut de predikant niet op visite te willen hebben'. Dat waren levendige bezoeken: veel oud zeer en rancune. Maar het ging ergens over en het was spannend.

Ik ga dus op pad. Ik scharrel zo'n beetje door de dorpen, lopend, fietsend, kanoënd, joggend en met de auto. Hier en daar ga ik naar binnen en neem plaats aan de keukentafel. Nooit op het bankstel. Ik weet meer van formica dan van bankbekleding. Soms gaat het ergens over, soms gaat het nergens over en de koffie is van goed tot uitstekend. Ik neem eigenlijk nooit een koekje. Ik heb nog een oudoom gehad, ook predikant, die in de loop der jaren aan alle kanten lichamelijk uitliep door die koekjes. Onder de kansel sloten ze weddenschappen af of hij door het deurtje kon of niet.

Mijn vriend in de eerste gemeente was huisarts. Dat is een moeilijk beroep. Je wordt geroepen; ze verwachten datje weet en zegt wat er is. Je grijpt een spuit of een pil en dan moet het goed zijn. Ze praten over je op verjaardagen en zeggen bijna altijd lelijke dingen.

's Nachts je bed uit en het is nooit goed.

Maar hij (een domineeszoon] zegt: 'Welnee, jullie beroep is veel erger. Als ík kom hebben ze het gevraagd. Ik ben gewenst, ik los iets op. Maar jullie, wat zeggen jullie aan de deur als je aanbelt? Wie vraagt er nu naar een dominee? Wat een beroep, ik moet er niet aan denken. Ongevraagd naar binnen, altijd maar beleefd zijn. Ik ben soms kortaf Dat hindert niet als ik mijn werk maar goed doe. Bij jullie is die beleefde grijns ingebakkenl'

Over één ding waren we het eens: honden mogen aan de ketting. Zij bespringen dokter en dominee zonder aanziens des persoons.



Het lied van de vrouw van Pilatus
16/10/14

(wijs: gezang 17, bundel 73)

De nacht staat om mij heen, ik kan niet slapen:
het gist van dromen in mijn hoofd.
Mijn zekerheid is mij ontroofd.
Hij zag mij en zijn blik heeft mij ontwapend.
Hij is rechtschapen.

De vergezichten en nachtmerries dwalen
door hoofd en hart, zwart als de nacht:
Hij eindigt eerder dan verwacht.
Zachtmoedigheid en trouw wordt fijngemalen,
‘k Hoor noodsignalen!

Mijn man is van de dag, helder, broodnuchter.
Berekening is bij hem recht.
Terwijl mij in de nacht is aangezegd:
dit is een misdaad. Maar ik zal niet vluchten
al ben ik schuchter.

Laat hem toch gaan, ik heb om hem geleden
diep in de nacht, voorbijgegaan.
Ik zag op heuvels kruisen staan.
Van het 'hosanna' tot moorddadig heden
is maar een schrede.



Oom Jaap.
28/12/14

'Hoeveel MENSEN komen er in de kerk?' Bijna iedereen vraagt het met wie ik door de kerk loop. 'Ach, zo'n twintig, dertig', zeg ik en suggereer losjes een opgaande lijn.
Mijn bezoeker knikt meewarig. 'Dat is ook niet veel', zie je hem denken.

We zijn een kleine schare. Eén keer, toen ik veel werk van de dienst gemaakt had en er weinig volk kwam, was ik voor elke kerkgan­ger één uur in de weer geweest. Een kerk werkt anders dan de economie. Twee of drie in Chris­tus naam bijeen? Dienst geslaagd! Maar meer mag ook.

En neem nu die dertig kerkgangers. Dat is tien procent van de hele bevolking van Zuiderwoude. Voor Amsterdam betekent dat een dienst met 80.000 belangstellenden en voor Monnickendam 1100 mensen! Wij wonen dus Oom Jaap en tante Janny. in het vroomste dorp van Nederland.

Vroeger was alles beter. Kuddes Loffen, Blackborns en Honinghen vulden de kerk. Meisjesclubs en catechisaties hingen uit de ramen van de pastorie. Prachtige tijden.

Verongelijkt kijken we naar het heden. Hoewel, de Honinghen zijn gebleven!

Nieuwsgierig ga ik op familiebezoek bij een oude tante. Zij is een van de eerste vrouwelijke dominees in Nederland en kon het tot op haar 85e uitstekend redden zonder man. Toen 'kreeg ze kennis aan' een nog oudere predikant. Een heer van stand, 90 jaar oud. Ik heb er een 'oom Jaap' bij en ze leven gezellig en vertederend in een verzorgingscentrum.

Oom Jaap ziet mij als collega, maar ook als broekeman. 'Waar sta je nu eigenlijk precies, jongen?', vraagt hij. 'In Zuiderwoude en Uitdam', zeg ik, klaar om tekst en uitleg te geven, want bijna niemand weet waar wij liggen. Hij montert op. 'In Zuiderwoude?', roept hij, 'daar ben ik ook beroepen geweest. In 1934.

Oom Jaap staat niet bij ons op het bord. 'Waarom hebt u het niet gedaan?', vraag ik.'Veel te grote kerk en veel te weinig volk, daar begin ik niet aan.' Hij kijkt alsof hij voor de poorten van de hel is weggesleept. Waar is hij dan wel heengegaan? Naar Lellens in Groningen. Alsof dat zo'n wereldplaats is. Drie man en een paar­denkop, schat ik. De Prediker zegt het al: er is niets nieuws onder de zon. Wat ben ik blij met die enorme schare van twintig kerkgangers en nog meer dat ik niet in Lellens zit.